
Verhaal
Pinokkio
30 min7-9 jaar
Dit is het begin van het verhaal. Het hele verhaal speelt in de Sonacast-app.
Het verhaal
Introductie
Welkom, kleine avonturiers! Vandaag duiken we in een magisch verhaal over een houten pop die droomt van een echt leven. Stel je voor: je bent gemaakt van hout, maar je hart klopt vol verlangen. Deze pop, Pinokkio genaamd, is ondeugend, maar leert gaandeweg belangrijke lessen over eerlijkheid en moed. Ga je mee op reis vol vriendschap, gevaren en de kracht van een goede daad? Luister goed, want Pinokkio's avontuur begint nu!
Gepetto en Pinokkio's Geboorte
Diep in een klein, gezellig werkplaatsje, vol met houtkrullen en de geur van vers gezaagd hout, woonde een lieve, oude timmerman genaamd Gepetto. Hij was vaak een beetje eenzaam, want hij had niemand om mee te spelen of te praten. 'Och, wat zou ik graag een kindje hebben,' zuchtte hij vaak. Op een dag vond hij een prachtig stuk dennenhout. 'Hier maak ik een mooie pop van,' dacht hij blij. En zo begon hij te hakken en te snijden, met veel liefde en zorg. Terwijl Gepetto de neus sneed, begon de pop te kriebelen! Toen hij de ogen maakte, knipperden ze ondeugend. En toen hij de mond uitsneed, begon de pop te lachen! 'Hij leeft!' riep Gepetto verbaasd. 'Ik noem je Pinokkio!' Pinokkio’s eerste stapjes waren wiebelig, maar hij huppelde al snel door de kamer. Hij was nog geen minuut oud, of hij stak al zijn tong uit! Wat een deugniet! Maar Gepetto hield al zielsveel van zijn houten jongen.
De Sprekende Krekel en Slechte Vrienden
Pinokkio was dan wel lief, maar hij was ook een beetje eigenwijs! Hij luisterde niet altijd even goed. Op een avond, toen Gepetto al sliep, sprong er opeens een piepkleine krekel tevoorschijn uit een hoekje van de kamer. Het was een hele bijzondere krekel, want hij kon praten! En hij was al honderd jaar oud! Hij was de Sprekende Krekel. “Pinokkio,” zei de krekel met een zachte, wijze stem, “je moet goed luisteren, want ik wil je iets belangrijks vertellen.” Pinokkio, die net met zijn houten hoofd op de grond stond te trommelen, keek verbaasd op. “Een krekel die praat?” lachte hij. “Dat is gek!” “Ik ben hier om je te helpen,” antwoordde het diertje. “Je moet naar school gaan, Pinokkio, en hard werken. Als je stout bent, dan krijg je spijt!” Maar Pinokkio wilde helemaal niet naar school. Hij wilde alleen maar spelen en gekke dingen doen. “Weg jij!” riep hij, “ik doe wat ik wil!” En zonder erbij na te denken, pakte Pinokkio een hamer en gooide die naar de krekel! Gelukkig was de krekel heel snel en sprong hij net op tijd weg, maar Pinokkio had een heel grote fout gemaakt. De Sprekende Krekel zuchtte diep. “Pinokkio,” zei hij verdrietig, “denk goed na met wie je omgaat. Er zijn veel lieve mensen in de wereld, maar er zijn ook mensen die niet het beste met je voor hebben. Als je niet luistert naar goed advies, dan kom je in de problemen.” Pinokkio haalde zijn schouders op. Hij vond dat hij het allemaal zelf wel wist. Hij dacht dat hij slim genoeg was om alle avonturen in de wereld aan te kunnen. En de volgende ochtend, toen Gepetto hem een boek en wat geld meegaf voor school, had Pinokkio al hele andere plannen. Hij dacht: “School is saai! Ik ga veel leukere dingen doen!” En zo begon Pinokkio aan zijn eerste, grote avontuur, helemaal alleen, zonder goed advies, en klaar om slechte vrienden tegen te komen...
De Fee met het Blauwe Haar
Pinokkio, met zijn schoolboek en Gepetto's munten op zak, zag een grote tent: 'Het Grote Marionettentheater!' 'Dat is veel leuker dan school!' dacht hij. Zonder twijfel verkocht hij zijn schoolboek voor een kaartje. Binnen dansten houten poppen. Pinokkio sprong en riep: 'Ik ben ook een pop!' De andere poppen waren verbaasd, maar riepen al snel zijn naam. De voorstelling werd een chaos! Toen kwam de vreselijke Vuurvreter, de baas. Hij brulde: 'Wie verstoort mijn voorstelling?!' Hij wilde Pinokkio in het vuur gooien, maar kreeg medelijden. Vuurvreter liet Pinokkio gaan en gaf hem vijf gouden munten voor Gepetto. Blij met zijn vijf gouden munten voor Gepetto, rende Pinokkio de straat op. Maar al snel kwam hij twee vreemde figuren tegen: een sluwe Vos en een blinde Kat. Ze vroegen waar hij heen ging met zijn geld. Pinokkio vertelde hen alles. 'Ach,' zei de Kat, 'dat is zonde. Plant ze op het Wonderveld, geef ze water, en er groeien honderdduizend gouden munten aan de bomen!' Pinokkio geloofde hen. Hij volgde de Vos en de Kat naar het Wonderveld, plantte zijn munten, gaf ze water en wachtte... Maar er gebeurde niets. De Vos en de Kat renden er met zijn munten vandoor! Hij was gefopt! Pinokkio was teleurgesteld en verdrietig. De Vos en de Kat, vermomd als rovers, sprongen achter een boom vandaan en grepen Pinokkio! 'Geef ons je geld!' riepen ze. Pinokkio had niets meer. Ze bonden hem vast en hingen hem aan een boom, hoog boven de grond. Hij hing daar, alleen, bang en verdrietig. Zijn oogjes vielen dicht. Hij dacht aan Gepetto. Net toen Pinokkio dacht dat het zijn einde was, verscheen iets wonderlijks: een prachtig huisje met een blauw dak. En ervoor stond een meisje, de Fee met het Blauwe Haar. Ze zag Pinokkio en kreeg medelijden. Ze klapte in haar handen, en een grote valk bracht Pinokkio naar haar huisje. Toen Pinokkio wakker werd, vroeg de Fee: 'Waarom ben je hier, en waarom ben je zo verdrietig?' Pinokkio wilde zijn leugens niet toegeven. Hij zei: 'Er kwamen twee rovers! Ze probeerden mijn geld te stelen, maar ik rende weg!' En wat denk je? Zijn neus begon te groeien! Langer en langer, tot hij bijna de muur raakte! Pinokkio schrok. De Fee glimlachte. 'Pinokkio,' zei ze, 'je neus groeit omdat je de waarheid niet vertelt. Leugens hebben een hele lange neus!' Pinokkio schaamde zich diep. 'Ik... ik heb gelogen,' zei hij, en vertelde de Fee het hele verhaal. Zodra hij de waarheid sprak, kromp zijn neus weer. De Fee was blij. 'Als je nu belooft een goede jongen te zijn,' zei ze, 'zal ik je helpen naar Gepetto.' Pinokkio beloofde plechtig dat hij zijn best zou doen. Hij wilde een echte jongen worden, en wist nu dat eerlijkheid nodig was. Hij zwaaide de Fee gedag, vastbesloten een betere Pinokkio te zijn. Maar zou hij zijn belofte wel kunnen houden? Het pad naar een echte jongen was nog heel lang.
Naar School en het Land van Speelgoed
Gepetto wilde het beste voor Pinokkio. Hij verkocht zijn warme winterjas om een schoolboek voor zijn houten jongen te kopen. Pinokkio's hartje kromp van verdriet en liefde. "Ik zal de allerbeste leerling zijn, papa!" beloofde hij. De volgende ochtend, met zijn glimmende nieuwe schoolboek, liep Pinokkio vol goede moed naar school. Maar toen hoorde hij plotseling muziek! Een vrolijke, luide muziek klonk uit een tent. "Komt allen!" riep een stem. Het was een poppentheater! Pinokkio was dol op poppen. Zou het niet veel leuker zijn dan naar school te gaan? Zijn schoolboek leek hem plotseling zwaar en saai. Hij dacht even aan Gepetto, maar de muziek trok harder. 'Het is maar één keer,' fluisterde een stemmetje. Snel verkocht Pinokkio zijn schoolboek voor vier muntjes en kocht een kaartje. Binnen was het een groot feest! Alle poppen dansten en zongen. En toen zagen ze Pinokkio! "Kijk!" riepen ze. "Een broertje!" Ze trokken Pinokkio het podium op en speelden met hem. De poppenspeler, een grote, enge man genaamd Mangiafuoco, keek eerst heel boos. Hij wilde Pinokkio in het vuur gooien! Maar Pinokkio begon zo hard te huilen dat Mangiafuoco's hart smolt. "Ach, kleine pop," zei Mangiafuoco, "ik kan jou niet verbranden. Hier, neem dit!" En hij gaf Pinokkio vijf glimmende gouden munten. "Ga naar huis, Pinokkio, en wees een goede jongen." Pinokkio was dolblij! Hiermee kon hij Gepetto helpen! Op weg naar huis ontmoette Pinokkio twee vreemde figuren: een sluwe Vos en een blinde Kat. "Hallo, Pinokkio!" zei de Vos, "wat heb jij daar voor moois?" Pinokkio liet trots zijn gouden munten zien. "Vijf gouden munten," zei de Kat, "dat is niet veel. Wij weten een manier om er duizend te maken! Je moet ze planten in het magische Wonderboomland. Daar groeien de munten aan bomen!" Pinokkio vergat zijn belofte aan Gepetto. Zonder na te denken volgde hij de Vos en de Kat. Ze liepen uren. De Vos en de Kat lachten stiekem; ze waren sluwe bedriegers! Ze lieten Pinokkio een dure maaltijd betalen met één van zijn munten. Daarna deden ze alsof ze gingen slapen, maar ze glipten weg. Even later vielen twee donkere figuren Pinokkio aan. "Geef ons je goud!" brulden ze. Het waren de Vos en de Kat, vermomd! Pinokkio stopte zijn munten snel in zijn mond en rende weg. Uiteindelijk vingen ze hem. Ze hingen hem aan een boom. "Nu zullen we je goud krijgen!" zeiden ze. Maar Pinokkio hield zijn mond stijf dicht. Gelukkig verscheen toen de Fee met het Blauwe Haar! Ze liet de rovers vluchten en redde Pinokkio. "Waarom ben je niet naar school gegaan, Pinokkio?" vroeg de Fee. "En waar zijn je gouden munten?" Pinokkio, bang om de waarheid te vertellen, zei: "Ik was ziek. En mijn munten... die ben ik kwijtgeraakt." En toen gebeurde er iets heel geks! Zijn neus begon te groeien! Eerst een klein beetje, toen langer en langer. "Pinokkio," zei de Fee, "je neus groeit omdat je liegt. Leugens zijn net als takken; hoe meer je liegt, hoe langer ze worden." Pinokkio schaamde zich diep. De Fee liet zijn neus weer krimpen, maar Pinokkio had zijn les geleerd. Dacht hij. De volgende dag probeerde Pinokkio het weer. Hij ging op weg naar school. Maar weer kwam hij ondeugende jongens tegen. "Hé, Pinokkio!" riepen ze. "Kom je met ons mee? Naar het Land van Speelgoed! Daar hoef je nooit naar school, er zijn geen regels, en je mag de hele dag spelen!" Pinokkio keek naar zijn schoolboek, en toen naar de vrolijke gezichten van de jongens. Geen school? Alleen maar spelen? Dat klonk te mooi om waar te zijn! Voordat hij het wist, had hij zijn schoolboek weer aan de kant gelegd. Samen met zijn nieuwe vriend, Jantje Pit, stapte Pinokkio in een kar vol lachende kinderen. De reis naar het Land van Speelgoed was vrolijk en luidruchtig. Eindelijk kwamen ze aan. En wat een land was dat! Bergen van snoep, rivieren van limonade, en overal speelgoed! Er waren geen volwassenen om te zeggen wat wel of niet mocht. Pinokkio en Jantje Pit speelden de hele dag door. Dagen gingen voorbij als een droom. Geen school, geen lessen, alleen maar oneindig veel plezier. Maar na een paar dagen begon Pinokkio zich vreemd te voelen. Zijn oren werden langer... en er groeide een staartje aan zijn broek...
De Ezels en de Zee
Pinokkio schrok. Heel erg! Hij voelde aan zijn lange oren. Het waren echt ezeloren! En zijn handen? Die veranderden in hoeven! Zijn mond wilde niet meer praten zoals een jongen, maar hij begon te balken: "Ie-aaah, ie-aaah!" Hij was geen jongen meer, maar een ezel! Een echte, levende ezel! Al zijn vriendjes in het Land van Speelgoed begonnen ook te veranderen. Overal hoorde je balken en zag je staarten groeien. Wat een gekke boel! Een heel land vol ezels! Allemaal jongens die te lui waren geweest om naar school te gaan. Wat een domme keuze hadden ze gemaakt. Wie wilde er nu een ezel zijn? Niemand toch? Maar het gebeurde echt. Pinokkio was een ezel geworden. En hij was zo verdrietig. Hij miste Geppetto. Hij miste school zelfs een beetje! Maar het was te laat. Dacht hij. De nare mannetjes die hen naar dit land hadden gebracht, kwamen lachend tevoorschijn. Zij waren het die dit hadden gedaan! Dit was hun plan de hele tijd geweest. Alle luie jongens die niet naar school wilden, werden door hen veranderd in ezels. En weet je waarom? Om ze daarna te verkopen! Ja, je hoort het goed. Ze verkochten de ezels aan boeren of aan het circus. Pinokkio wilde niet langer een ezel zijn. Hij wilde terug naar zijn papa Geppetto. Hij wilde weer een jongen zijn. Maar hij kon alleen maar "Ie-aaah!" roepen. De nare mannen pakten hem vast. Ze bonden een touw om zijn nek en trokken hem mee. Samen met de andere ezels werd Pinokkio naar de markt gebracht. Daar stonden veel mensen die een ezel wilden kopen. Pinokkio stond daar, met zijn grote oren en zijn zachte, bruine vacht. Hij keek verdrietig naar de grond. Hij miste zijn papa Geppetto zo erg. Een man met een lange snor en een vrolijk rood pakje kwam naar Pinokkio toe. Hij was de eigenaar van een circus! "Deze ezel is perfect!" riep de circusdirecteur. "Hij ziet er sterk uit en heeft zulke mooie, grote oren. Die zal vast goed kunnen springen en kunstjes doen!" Pinokkio schudde zijn hoofd. Hij wilde helemaal geen kunstjes doen. Hij wilde niet springen. Hij wilde alleen maar naar huis. Maar de circusdirecteur kocht hem. En zo kwam Pinokkio terecht in het circus. Het was een drukke, luidruchtige plek. Overal waren dieren, acrobaten en clowns. Pinokkio moest hard werken. Hij moest rondjes rennen in de piste en over hoepels springen. Soms viel hij en deed hij pijn. De circusdirecteur was niet aardig tegen hem. Hij gaf hem weinig eten en sloeg hem soms als hij niet snel genoeg was. Pinokkio droomde elke nacht over zijn papa. Hij huilde zachte ezeltranen. Op een dag, na vele weken hard werken, werd Pinokkio ziek. Hij voelde zich zwak en kon bijna niet meer op zijn benen staan. Hij hoestte en zijn neus liep. De circusdirecteur was boos. "Wat moet ik met een zieke ezel?" mopperde hij. "Die kan geen kunstjes meer doen! Ik kan hem niet gebruiken!" Hij besloot Pinokkio te verkopen. Maar niemand wilde een zieke ezel kopen. De directeur wist niet wat hij met Pinokkio aan moest. Hij wilde niet meer voor hem zorgen. Hij dacht even na. "Ik heb een idee!" riep hij uit. "Ik zal hem in zee gooien! Dan verdrinkt hij en hoef ik er niet meer naar om te kijken. Dan kan ik zijn huid gebruiken voor een trommel!" Wat een vreselijk plan! De circusdirecteur bond een zware steen aan Pinokkio's nek. Pinokkio was zo bang. Hij voelde de koude steen en wist dat dit het einde was. Hij werd naar de kust gebracht. De golven klotsten tegen de rotsen. De zon ging langzaam onder. Pinokkio keek voor de laatste keer naar de lucht, naar de vogels die vrij vlogen. Hij dacht aan Geppetto, aan de Fee met het blauwe haar. Hij wist niet wat er zou gebeuren, maar hij voelde zich zo klein en alleen. De directeur tilde Pinokkio op en gooide hem met de zware steen in de koude, diepe zee. Plons! Het water was ijskoud en omsloot Pinokkio meteen. Hij zonk dieper en dieper. De steen trok hem naar beneden. Hij probeerde te balken, maar er kwam geen geluid. Alleen maar bubbels. Hij dacht dat dit zijn einde was. Hij sloot zijn ogen. Maar Pinokkio was geen gewone ezel, wist je nog? Hij was ooit een houten pop, en daarna een jongen! En het water... Het water deed iets wonderlijks. De zoute zee knaagde aan de ezelhuid. De visjes en de krabbetjes begonnen aan zijn vacht te trekken. De steen viel van zijn nek. En langzaam, heel langzaam, gebeurde er iets ongelooflijks. Zijn ezelhuid viel eraf, stukje bij beetje. Zijn grote oren werden kleiner. Zijn hoeven veranderden weer in handen. Zijn staartje verdween. Pinokkio voelde het. Hij was weer een houten pop! De golven tilden hem op. Hij dreef. Maar de directeur, die dacht dat hij van Pinokkio af was, had Pinokkio's huid willen gebruiken voor een trommel. Dus toen Pinokkio weer een houten pop was geworden, bleef er alleen de ezelhuid over die de directeur wilde. En Pinokkio? Hij dreef op de golven, helemaal alleen in de grote, donkere zee. Waar ging hij heen? Zou hij zijn papa ooit nog terugzien? De zee was zo groot en Pinokkio zo klein.
In de Buik van de Walvis
De golven schommelden Pinokkio heen en weer. De zon was al lang onder en de maan scheen als een grote zilveren munt aan de donkere hemel. Pinokkio voelde zich zo klein en verloren. Hij had honger, en dorst, en hij miste zijn papa Gepetto meer dan ooit. 'Papa,' fluisterde hij, 'waar ben je toch?' De eenzaamheid drukte zwaar op hem. Hij droomde van een warm bed en een bord hete soep. Maar hier was alleen de koude, zoute zee, en het schommelende bootje van boomstammen. De golven schommelden Pinokkio heen en weer. De zon was al lang onder en de maan scheen als een grote zilveren munt aan de donkere hemel. Pinokkio voelde zich zo klein en verloren. Hij had honger, en dorst, en hij miste zijn papa Gepetto meer dan ooit. 'Papa,' fluisterde hij, 'waar ben je toch?' De eenzaamheid drukte zwaar op hem. Hij droomde van een warm bed en een bord hete soep. Maar hier was alleen de koude, zoute zee, en het schommelende bootje van boomstammen. Het bootje kraakte zachtjes onder hem, en de wind huilde een droevig lied. Pinokkio trok zijn schouders op en probeerde zich kleiner te maken, alsof hij zo minder koud zou zijn. Zijn houten neus kriebelde een beetje, en hij wreef eroverheen. Hij keek naar de horizon, waar de sterren twinkelde als kleine diamanten. Zouden ze de weg wijzen? Plotseling hoorde hij een heel diep, grommend geluid. Het was een geluid dat hij nog nooit gehoord had. Het klonk als een verre donder, maar dan uit de zee. Het bootje begon harder te schommelen, niet door de golven, maar door iets anders. Iets heel groots dat in de diepte bewoog. Pinokkio's hartje bonkte als een trommel. Hij keek angstig om zich heen. De grom werd luider, en toen, recht voor hem, zag hij een enorme schaduw oprijzen uit de duistere golven. Het was zo groot als een berg! Een reusachtige, donkere schaduw die de maan leek te bedekken. Het geluid zwol aan tot een brullende storm. Het was een kolossale walvis, met een rug zo breed als een eiland en een staart die de golven deed opspatten als fonteinen. De walvis opende zijn enorme mond. Het was een grot van roze en wit, met rijen tanden zo groot als boomstammen. Een zuigende stroom water trok Pinokkio's kleine bootje onverbiddelijk naar binnen. Hij probeerde te roeien, hij probeerde te schreeuwen, maar het was te laat. Met een geweldig geslurp werd het bootje, en Pinokkio erin, naar binnen gezogen, de donkere keel van de walvis in. Het was pikkedonker. Overal was het glibberig en warm, en het rook naar vis en zeewier. Pinokkio viel met een zachte plof op iets zachts. Zijn bootje dreef nog ergens naast hem. Hij was zo bang dat hij bijna vergat te ademen. 'Hallo?' fluisterde hij. Zijn stem klonk klein en verloren in de enorme ruimte. Alleen een zachte echo antwoordde hem. 'Hallo... hallo...' Hij hoorde het geluid van water dat plaste en golfde. En toen, heel ver weg, zag hij een klein, flakkerend lichtje. Zou er iemand anders zijn? Pinokkio, die altijd nieuwsgierig was, verzamelde al zijn moed. Hij klom uit zijn bootje en begon voorzichtig te lopen op de zachte, glibberige bodem van de walvisbuik. Het lichtje werd helderder naarmate hij dichterbij kwam. En toen zag hij het: een klein kampvuurtje! En ernaast, een man, met een baard en een vriendelijk gezicht, die sliep, zachtjes snurkend. 'Papa!' riep Pinokkio, zo hard als hij kon. De man schrok wakker, zijn ogen werden groot van verbazing. Het was Gepetto! Zijn lieve oude papa! Gepetto stond op en rende naar Pinokkio toe. Hij omhelsde zijn houten jongetje zo stevig dat Pinokkio bijna kraakte. 'Pinokkio, mijn jongen! Je leeft! Ik dacht dat ik je voorgoed verloren had!' zei Gepetto, zijn stem vol tranen van blijdschap. Ze zaten samen bij het vuur. Gepetto vertelde hoe hij, na Pinokkio te zijn kwijtgeraakt, was gaan zoeken op zee. 'En toen,' zei Gepetto, 'verscheen deze reusachtige walvis. Hij slokte mijn bootje en mij op, net zoals hij jou en jouw bootje heeft opgeslokt. Ik ben al dagen hier, levend van de vissen die de walvis binnenkrijgt en het hout dat ik vind om een vuurtje te maken.' Pinokkio keek rond in de donkere, vochtige walvisbuik. 'Maar papa,' zei hij, 'hoe komen we eruit?' Gepetto zuchtte. 'Ik heb geen idee, mijn jongen. Het is hier zo donker en groot. We zitten vast.' Maar Pinokkio, die slimmer was dan hij eruitzag, kreeg een idee. 'Papa,' zei hij, 'wat als we het vuur heel, heel groot maken? Heel veel rook! Misschien vindt de walvis dat niet fijn!' Gepetto's ogen lichtten op. 'Pinokkio, dat is een briljant idee!' Ze verzamelden al het droge hout dat ze konden vinden. Ze stapelden het op en maakten het vuur groter en groter. De vlammen dansten en de rook vulde de enorme buik van de walvis. De walvis begon te roeren. Hij voelde zich niet prettig met al die rook in zijn buik. Hij gromde diep en schudde met zijn hele lijf. 'HET WERKT!' riep Pinokkio blij. De walvis begon te hoesten. Een zware, diepe hoest die de hele buik deed trillen. En toen, een enorme, krachtige nies! De kracht van de nies was zo groot dat Pinokkio, Gepetto en hun bootjes met een geweldige vaart uit de mond van de walvis werden gespuugd. Ze landden met een plons in de koude, zoute zee. De walvis zwom snel weg, blij dat hij van de kriebel in zijn neus af was. Pinokkio en Gepetto keken elkaar aan, hun gezichten besmeurd met rook, maar hun harten vol vreugde. Ze waren vrij! Ze roeiden de rest van de nacht door, tot ze in de vroege ochtend de kust zagen. Moe, maar gelukkig, liepen ze hand in hand naar huis, wetende dat ze altijd een speciaal verhaal zouden hebben over hun avontuur in de buik van de walvis.
De Weg naar een Echte Jongen
Pinokkio en Gepetto waren eindelijk thuis. Wat een avontuur hadden ze beleefd! Hun huisje voelde vertrouwd en warm aan. Gepetto, hoewel dolblij, was erg moe. Zijn witte haren waren nog witter geworden van de schrik, en vermoeidheid zat diep in zijn oude botten. Hij snakte naar rust. Pinokkio keek naar zijn lieve oude vader. Hij voelde een warm gevoel in zijn houten borst. Was dat liefde? En spijt? Hij had zoveel stomme dingen gedaan, Gepetto veel verdriet bezorgd. Nu wilde hij echt anders zijn. Hij wilde een échte jongen worden, niet alleen van buiten, maar ook van binnen. En een echte jongen helpt zijn papa. Hij wilde zo graag dat Gepetto trots op hem zou zijn. De volgende ochtend, vroeg, stond Pinokkio al op. "Ik ga iets nuttigs doen!" zei hij tegen de Sprekende Krekel, die naast zijn bedje zat. "Ik ga werk zoeken! Ik moet geld verdienen om voor Papa te zorgen." Hij dacht aan timmerman Meneer Ciliegia, die soms hulp nodig had. Pinokkio rende naar de werkplaats van Meneer Ciliegia, zijn houten benen tikten vrolijk. Meneer Ciliegia keek verbaasd op. "Werk zoeken, jij? En wat zou jij dan willen doen, kleine houten man?" Pinokkio antwoordde "Alles, meneer! Ik wil hard werken!" Meneer Ciliegia glimlachte. "Dan mag je de werkplaats vegen, en daarna de houtkrullen verzamelen voor het haardvuur." Pinokkio veegde zo hard als hij kon. Hij zwaaide met de bezem totdat alles schoon was. Daarna verzamelde hij netjes alle houtkrullen. Hij glom van trots. Meneer Ciliegia was heel tevreden en gaf hem twee glimmende muntjes. Pinokkio hield ze stevig vast en rende zo snel hij kon naar huis, zijn hart vol blijdschap. Dit was zijn eerste echte loon! Gepetto was net wakker. Hij zag Pinokkio met de muntjes. "Wat heb je daar, mijn jongen?" vroeg hij. "Ik heb gewerkt, Papa! Dit is mijn loon! Het is voor u!" zei Pinokkio, en hij gaf de muntjes aan zijn vader. Gepetto's ogen werden vochtig. Hij knuffelde zijn houten zoon stevig. "Mijn Pinokkio," fluisterde hij, "wat ben je toch goed. Je bent een echte hulp voor me." Vanaf die dag werkte Pinokkio elke dag hard. Hij deed allerlei klusjes en hielp waar hij kon. Hij ging niet meer spelen met stoute jongens, en hij luisterde goed naar de wijze raad van de Sprekende Krekel, die hem soms voorlas. Pinokkio leerde ook lezen en schrijven, want dat hoorde bij een echte jongen zijn, vond hij. Hij spaarde zijn muntjes niet voor zichzelf. Nee, hij kocht eten voor Gepetto, warme kleren, en soms een cadeautje. Op een dag zag hij een oud vrouwtje dat een zware mand met appels droeg. "Mag ik u helpen, mevrouw?" vroeg Pinokkio, en nam de mand over. Hij droeg de mand helemaal naar haar huis. Het was zwaar, maar hij voelde zich zo blij om iemand te helpen. Zijn hart was vol van vriendelijkheid. Op een dag werd Gepetto ziek. Hij had koorts en kon niet opstaan. Pinokkio schrok enorm. "O nee, mijn lieve Papa!" Hij wist wat hij moest doen. Hij had een mooi, warm jasje gekregen, zijn enige mooie kledingstuk. Zonder lang na te denken, verkocht hij het op de markt. Met het geld kocht hij medicijnen en warm eten voor Gepetto. Hij legde een natte doek op Gepetto's voorhoofd en bleef de hele nacht bij hem waken. De Fee met het Blauwe Haar, die alles zag vanuit haar magische huis, glimlachte. Ze had Pinokkio's veranderingen goed in de gaten gehouden. Ze verscheen die avond in hun kleine huisje, stralend en mooi. De Sprekende Krekel zoemde zachtjes van opwinding. "Pinokkio," zei ze met een zachte stem, "je hebt laten zien dat je een hart van goud hebt. Je hebt hard gewerkt, geluisterd, en bent lief en behulpzaam geweest. Je hebt laten zien dat je het waard bent om een échte jongen te zijn." Met een zwaai van haar toverstokje, raakte ze Pinokkio's houten voorhoofd aan. Pinokkio voelde een ongelooflijke tinteling door zijn hele lijf. Zijn houten neus kromp in, zijn houten benen werden zacht en soepel, en zijn handen voelden vleesachtig aan. Zijn huid werd zacht en blozend, en zijn haar werd echt haar. Zijn ogen knipperden en hij voelde... hij kon ademen zoals nooit tevoren! Hij was licht, hij was levendig! Hij was geen pop meer! Gepetto, die net zijn ogen opendeed en zich al veel beter voelde, keek vol verbazing. Voor hem stond niet meer de houten pop, maar een vrolijke, lieve jongen met stralende ogen. "Pinokkio? Mijn Pinokkio! Ben jij dat echt?" riep Gepetto uit, en hij sprong uit bed. Hij omhelsde zijn zoon, zijn echte zoon, heel stevig, en traantjes van geluk rolden over zijn wangen. Wat een wonder! Pinokkio keek om zich heen. Op een stoel, naast zijn bed, zag hij zijn oude houten lijfje liggen. Hij lachte, een echt jongenslachje. "Dag, oude Pinokkio," fluisterde hij. Hij begreep nu dat het niet uitmaakte of je van hout was of van vlees en bloed. Wat telde, was wat er in je hart zat. En zijn hart was nu vol van liefde en goedheid. En zo, mijn lieve luisteraars, werd Pinokkio de jongen die hij altijd al wilde zijn. Niet door alleen te wensen, maar door zijn eigen goede daden, zijn liefde voor zijn vader, en de lessen die hij had geleerd. Hij had begrepen dat een echte jongen aardig is, eerlijk, hard werkt, en voor anderen zorgt. En daar waren Gepetto en de Sprekende Krekel zo trots op. Ze leefden nog lang en gelukkig, en Pinokkio hielp Gepetto elke dag, als de allerliefste zoon die je je maar kunt wensen. Een echte jongen, van top tot teen.
Outro
En zo werd Pinokkio eindelijk de jongen die hij altijd al wilde zijn. Wat een prachtig verhaal! Bedankt dat je met ons meeluisterde naar dit bijzondere avontuur. We hopen dat je ervan genoten hebt! Laat Sonacasts gerust weten wat je van Pinokkio's reis vond. Jouw ideeën zijn belangrijk voor ons! Wie weet welke verhalen jij zelf nog gaat ontdekken, of zelfs gaat bedenken? Droom groot, lieve vriend, en tot de volgende keer!






