
Verhaal
Dik Trom
30 min7-9 jaar
Dit is het begin van het verhaal. Het hele verhaal speelt in de Sonacast-app.
Het verhaal
Introductie
Heb je ooit gehoord van een jongen die zo sterk is dat hij bijna alles kan tillen? En die ook nog eens de grappigste avonturen beleeft? Vandaag gaan we naar een klein, gezellig dorpje waar Dik Trom woont. Hij is misschien wat groter dan de meeste jongens, maar zijn hart is nog groter! Bereid je voor op een reis vol lachbuien, onverwachte streken en vriendschap. Ontdek waarom Dik Trom de allerleukste jongen van het dorp is!
Wie is Dik Trom?
Wel, wie is die Dik Trom dan precies? Nou, Dik Trom is een heel bijzondere jongen. Hij is niet zomaar Dik, hij is ook echt een beetje rond! Zijn wangen zijn als twee sappige rode appels, en hij heeft altijd een vrolijke lach op zijn gezicht. Zijn oogjes twinkelen als kleine sterretjes als hij weer eens iets leuks bedenkt. Hij woont samen met zijn lieve vader, die heel sterk is, en zijn zorgzame moeder in een gezellig huisje aan de rand van het dorp. Dik Trom is altijd vol goede moed. Hij helpt graag, maar soms gebeuren er door zijn enthousiasme een beetje gekke dingen. Hij bedoelt het nooit slecht hoor! Hij is gewoon heel erg nieuwsgierig en houdt van avontuur. Stel je voor, een jongen die zo groot is van buiten, maar van binnen vol zit met de stoutste plannetjes en de liefste gedachten. Hij is een echte vriend voor iedereen, ook al lijkt hij soms wat onhandig. Hij is de held van ons verhaal!
De Eerste Streken en Zijn Kracht
En of Dik Trom een held is! Hij was niet alleen groot en sterk van buiten, maar zijn hoofd zat ook boordevol de allerleukste en soms een beetje ondeugende ideeën. Als je dacht dat Dik alleen maar stenen kon tillen, dan had je het mis! Met zijn reuzenkracht voerde hij vaak zonder moeite zijn kleine grapjes uit. Herinner je die keer dat zijn vader bezig was met de tuin? Vader had de kruiwagen volgeladen met zware, glimmende keien. Zoveel, dat zelfs hij er moeite mee had. Vader ging even binnen, en Dik Trom keek naar de kruiwagen. 'Dat ziet er zwaar uit,' dacht hij, 'zou ik dat kunnen?' Zonder te aarzelen pakte Dik de handvatten vast. Hij zette zijn voeten stevig neer, nam diep adem en duwde! Langzaam, krakend, bewoog de kruiwagen een klein stukje! Dik moest erom lachen. Zijn vader kwam net naar buiten en zijn mond viel open van verbazing. 'Dik Trom!' riep hij, 'Heb jij die kruiwagen verplaatst? Dat is toch veel te zwaar!' Dik haalde zijn schouders op en glimlachte ondeugend. Hij wist dat hij heel sterk was, sterker dan alle andere kinderen. Maar hij wist ook dat hij voorzichtig moest zijn, want soms vergat hij hoe sterk hij eigenlijk was. En dat zorgde dan weer voor de grappigste momenten! Op een warme zomerdag was de dorpsboer zijn schapen aan het drijven. Eén schaapje bleef achter, dichtbij een grote modderpoel. De boer kon het niet pakken. Dik Trom zag het gebeuren en rende ernaartoe. 'Laat mij maar, boer!' riep hij. De boer keek Dik aan, een beetje wantrouwig. Wat kon zo'n jongen nou doen? Maar voordat de boer iets kon zeggen, had Dik het schaapje al voorzichtig bij de vacht gepakt en tilde het uit de buurt van de modder. Het schaapje blètte even, maar was veilig. De boer schudde zijn hoofd. 'Jij bent een bijzondere jongen, Dik Trom,' zei hij. En dat was hij zeker. Altijd klaar voor avontuur, en altijd met een lach. Zo was Dik Trom, onze sterke, ondeugende held!
Het Appeldiefstal Avontuur
Dik Trom, onze sterke, ondeugende held, beleefde vaak de gekste avonturen. Zoals op een zonnige dinsdagmiddag, terwijl de bijtjes zoemden en de wind zachtjes door het gras waaide. Dik speelde buiten, een oude band voor zich uitrollend. Het was een dag om te rennen en te lachen! Niet ver daarvandaan, achter een hoge heg, lag de boomgaard van boer Bromsnor. Die stond vol met de mooiste, glimmendste, roodste appels. Ze hingen zwaar aan de takken, als kleine juweeltjes. Elke appel beloofde een knapperige hap en een golf van zoet sap. Dik's buik begon te rommelen. Een diepe, holle rommel die zei: 'Ik heb honger! Ik wil iets lekkers!' Die appels... ze riepen zijn naam! 'Dik, Dik,' leken ze te fluisteren. Hij stelde zich de zoete, sappige smaak voor, zo knapperig dat je het tot in je tenen zou voelen. Maar boer Bromsnor was een brommerige boer. Zijn snor krulde altijd een beetje naar beneden, en hij lachte zelden als het om zijn appels ging. Een groot, houten bord waarschuwde iedereen: 'Hier geen appels plukken!' stond erop, in grote, rode letters. Dik keek naar het bordje, toen naar de appels, en toen weer naar zijn rammelende buik. De honger was sterker dan de waarschuwing. Hij moest gewoon één proeven. De heg was te hoog, maar Dik was slim en sterk. Hij pakte een stevige tak en hup! Klom over de schutting achter de heg. Een klein avontuur op zich! Tussen de bomen sloop Dik als een klein muisje naar de dikste appelboom. Daar hingen de állerlekkerste appels, rood als de ondergaande zon. Hij reikte en daar was de eerste! Hij voelde het koele, stevige vel. Een heerlijke, frisse geur. Hij nam een grote, verrukkelijke hap. Wat lekker! Het zoete sap liep langs zijn kin. Hij plukte er nog twee, stopte ze voorzichtig in zijn broekzakken. Zijn hart klopte van de stiekeme opwinding. Maar precies op dat moment kwam boer Bromsnor aanwandelen, met zijn hond Borus. Borus begon zachtjes te grommen. 'Wat doe jij daar, deugniet?' riep de boer. Zijn grote snor trilde van woede; hij had Dik gezien! Dik schrok en rende weg, de appels nog in zijn zak. Boer Bromsnor, met Borus blaffend, zette de achtervolging in. Dik was snel, maar toen... struikelde hij over een wortel in het gras! Alle appels vielen uit zijn zak, rollend en stuiterend over het gras. Eén rolde bijna tot aan de voeten van boer Bromsnor, die nu vlak voor hem stond. Dik keek op, zijn wangen rood van het rennen en schaamte. 'Waarom deed je dat, jongen?' vroeg de boer, nu. 'Ik had zo'n honger, meneer,' zei Dik, 'en uw appels zijn de allermooiste van de wereld. Ik kon het niet laten.' Boer Bromsnor keek naar de appels op de grond. 'Nou,' zei hij uiteindelijk, 'als je zo'n honger hebt, kun je het toch gewoon vragen? Of helpen in de boomgaard? Kom, we eten er samen één op. En morgen mag je me helpen met de oogst, dan krijg je er nog veel meer, zónder ze stiekem te plukken!' Dik's ogen straalden. Samen met boer Bromsnor raapten ze de appels op en aten de sappigste exemplaren. En zo leerde Dik dat vragen soms veel beter werkt dan stiekem doen. En boer Bromsnor leerde dat zelfs een brommerige boer soms een beetje vriendelijk kan zijn, vooral tegen een jongen als Dik Trom!
De Grap met de Verdwenen Stoelen
Weet je nog van de appels? Dik had toen geleerd dat eerlijk zijn het langste duurt. Maar Dik was nog steeds Dik! En Dik had niet alleen sterke armen, hij had ook een hoofd vol de gekste ideeën. Soms waren die ideeën een beetje ondeugend, maar altijd met een vrolijk hart, hoor! Hij wilde niemand verdriet doen, alleen een beetje plagen. Op een mooie zomerdag was het een drukte van jewelste in het dorp. Er zou 's avonds een heel belangrijk toneelstuk zijn in het dorpshuis. Iedereen zou komen kijken! De voorbereidingen waren in volle gang. Meneer de burgemeester, mevrouw de bakker, zelfs de slaperige postbode zou er zijn! En wat hadden ze nodig voor al die mensen? Juist! Stoelen. Heel veel stoelen. De stoelen stonden netjes opgestapeld buiten het dorpshuis, klaar om naar binnen gebracht te worden. Rij na rij, van allerlei soorten en maten. Houten stoelen, rieten stoelen, zelfs een paar oude, zachte stoelen met kussentjes. Het was een hele berg! Dik liep erlangs, en hij keek eens goed naar die grote stapel. Wat een hoop stoelen! dacht hij. En toen kreeg hij een idee. Een heel, heel gek idee! Hij zag mevrouw Bloem, de dorpsroddelaarster, met haar theekopje in de hand, en meneer Pastoor, die altijd ernstig keek, en zelfs boer Bromsnor, die nog steeds een beetje mopperde, maar nu wel lachte als hij Dik zag. Stel je voor, dacht Dik, dat al die mensen straks komen en er helemaal geen stoelen zijn! Dat zou toch een grappig gezicht zijn? Dus, toen het bijna donker werd, en iedereen naar huis was om zich mooi te maken voor het toneelstuk, glipte Dik weer naar het dorpshuis. Het was stil. Heel stil. Alleen de uilen riepen hoog in de bomen. En Dik ging aan de slag. Hij begon met de lichtste stoelen. Til, loop, en neerzetten. Maar waar zette hij ze neer? Niet zomaar ergens verstoppen, dat zou te makkelijk zijn. Dik wilde iets éxtra's. Hij tilde de stoelen één voor één op, en hij droeg ze naar de grote hooiberg van boer Bromsnor, die naast het dorpshuis stond. Hoog, hoog, tot bijna aan de top, verborgen tussen het goudgele hooi. Het was zwaar werk, zelfs voor sterke Dik! Maar hij zwoegde en sjeesde. De kleinere stoelen zette hij voorzichtig in de takken van de grote eikenboom die bij het dorpshuis stond. Zo hoog dat je ze bijna niet kon zien! En de grote, zware stoelen? Die rolde hij met veel moeite achter de oude waterpomp, en bedekte ze met wat takken en bladeren. Toen hij klaar was, was hij moe, maar hij had een grote lach op zijn gezicht. Niemand zou die stoelen vinden! dacht hij. Even later kwamen de eerste mensen al aan bij het dorpshuis. Ze keken vrolijk rond. "Wat een mooie avond!" zei mevrouw de bakker. "Ik ben benieuwd naar het toneelstuk!" zei meneer de veldwachter. Maar toen wilden ze naar binnen... en zagen ze dat de stoelen er niet meer stonden. "Waar zijn de stoelen?" vroeg iemand. "Heeft iemand ze al naar binnen gebracht?" riep een ander. Maar nee, er stonden geen stoelen binnen. En ook niet buiten. De mensen begonnen te zoeken. Onder de struiken, achter de karren, zelfs in de kippenhokken van de buren! Maar nergens, helemaal nergens, waren de stoelen te vinden. Meneer de burgemeester werd een beetje rood aan zijn hoofd. "Dit kan toch niet!" riep hij. "Een toneelstuk zonder stoelen? Dat is als een soep zonder lepel!" Iedereen stond te moemelen en te klagen. Het toneelstuk moest beginnen, maar hoe konden de mensen zitten? Dik stond een beetje verderop, achter een heg, en probeerde zijn lach in te houden. Hij zag de verbaasde gezichten, de zwaaiende armen, de zoekende ogen. Het was precies zoals hij het zich had voorgesteld! Maar toen zag hij mevrouw Pastoor, die er een beetje verdrietig uitzag. Ze had zo haar best gedaan op haar mooiste jurk, en nu kon ze niet eens zitten om van het toneelstuk te genieten. Dik's lach verdween een beetje. Hij wilde niemand verdrietig maken. Dat was niet de bedoeling van zijn grap. Hij sloop dichterbij. "Meneer de burgemeester?" zei Dik zachtjes. Iedereen keek om. "Ik denk dat ik weet waar de stoelen zijn," zei Dik. En hij wees naar de hooiberg van boer Bromsnor. "Een deel zit daar, en een deel in de eikenboom, en de rest... die zit achter de waterpomp!" Eerst keken de mensen hem verbaasd aan. Een jongen wist waar alle stoelen waren? Maar toen gingen ze kijken. En ja hoor! Daar, hoog in het hooi, stonden de houten stoelen. In de boom hingen de rieten stoeltjes. En achter de waterpomp... de zware stoelen! Het duurde even voordat alle stoelen weer op hun plek stonden. De mensen mopperden een beetje, "Die Dik Trom toch!" zei boer Bromsnor, die hielp met het omlaag halen van de stoelen. "Altijd weer een grap uithalen!" Maar toen hij Dik's vrolijke, open gezicht zag, moest hij toch een beetje glimlachen. Hij wist dat Dik het niet kwaad bedoelde. Uiteindelijk zat iedereen op een stoel, en kon het toneelstuk beginnen. Het was een beetje later dan gepland, maar door Dik's grap hadden ze wel iets te vertellen! Dik had weer iets geleerd die avond. Dat grappen leuk kunnen zijn, maar dat je altijd moet nadenken of je er niemand verdrietig mee maakt. En de mensen? Die wisten nu dat je bij Dik Trom nooit wist wat voor verrassing je kon verwachten. Met zijn sterke armen en zijn hoofd vol gekke ideeën, was er altijd wel iets bijzonders aan de hand als Dik in de buurt was!
De Koe in de Modderpoel
Goedendag, lieve luisteraars! Weet je nog, dat Dik Trom altijd vol verrassingen zat? En dat hij niet alleen sterk was, maar ook heel slim, met een hoofd vol gekke ideeën? Vandaag gaan we weer zo'n avontuur van hem beleven. Het was een prachtige zomerdag. De zon scheen hoog aan de hemel en de vogeltjes zongen hun mooiste liedjes. Dik Trom liep vrolijk over een klein paadje langs een groene wei. De koeien stonden daar rustig te grazen, met hun grote, vriendelijke ogen. Mmm, lekker gras, dachten de koeien, en ze zwaaiden met hun staart. Maar toen, héél in de verte, zag Dik iets geks. Eén van de koeien stond niet rustig te grazen. Ze bewoog niet! En ze zag er een beetje sip uit. Dik keek nog eens goed. Wat was daar aan de hand? Hij liep dichterbij, stapje voor stapje. En wat zag hij toen? Arme Bella! Zo heette de koe. Bella was een nieuwsgierige koe, en ze was een beetje te ver doorgelopen. Ze stond met haar grote, zware poten vast in een diepe, modderige poel. Oh nee! De modder was zó dik, als stroop, en ze kon er niet meer uitkomen. Ze loeide zachtjes, "Moooo!" alsof ze wilde zeggen: "Help me, alsjeblieft!" Dik zag de grote, bruine modderpoel. Het was een plek waar de regen altijd bleef staan, en de aarde zo zacht werd. Bella stond er tot aan haar buik in! Haar ogen keken triest naar Dik. Hij wist: dit was een klusje voor Dik Trom! Eerst probeerde Dik het zomaar. Hij pakte Bella's sterke hoorns vast – voorzichtig natuurlijk, want Dik was altijd lief voor dieren – en trok met al zijn kracht. WROEM! Dik trok en trok, maar Bella bewoog geen centimeter. De modder hield haar stevig vast, als een grote, kleverige hand. "Moooo!" zei Bella weer, een beetje hopeloos nu. Dik dacht diep na. Hij wreef over zijn kin, zoals hij altijd deed als hij een plannetje bedacht. Zijn ogen keken over het land. Wat had hij nodig? Hij zag een lange, stevige tak van een omgewaaide boom liggen. Ha! Dacht Dik, daar kan ik iets mee! Hij rende naar de tak en sleepte hem met zijn sterke armen naar de modderpoel. De tak was lang en dik, precies goed! Dik legde de tak dwars over de modderpoel, nét voor Bella's voorpoten. "Kijk eens, Bella," zei Dik, "probeer hier eens op te stappen. Eerst je ene poot, dan je andere." Maar Bella was een beetje bang. De tak wiebelde een beetje. "Moooo?" vroeg ze, alsof ze niet zeker wist of dit wel een goed idee was. Dik wist wat hij moest doen. Hij rende naar de andere kant van de wei, waar Boer Teun zijn kar had staan. En wat lag daar? Een grote, dikke, sterke touw! Perfect! Hij pakte het touw en kwam terug naar Bella. Hij bond het touw heel voorzichtig om Bella's borst. Niet te strak, hoor, want dat zou pijn doen. Gewoon stevig, zodat hij kon trekken. Nu had Dik een plan! Hij legde de tak over de poel, en hij had het touw. Hij bond het andere uiteinde van het touw vast aan de tak. Maar wacht eens even, hoe moest hij nu de tak gebruiken om Bella eruit te krijgen? Dik keek naar de tak. Hij keek naar de modder. En hij keek naar Bella. Opeens kreeg hij een geweldig idee! Hij pakte de tak aan het ene uiteinde vast. En met zijn andere hand pakte hij het touw. Hij begon heel zachtjes de tak te bewegen, als een hefboom. De tak drukte een beetje in de modder, en gaf hem zo grip. En toen, met al zijn kracht, begon Dik te trekken aan het touw, terwijl hij de tak gebruikte om tegen de rand van de modder te duwen. Eén keer! Twee keer! Drie keer! Het was zwaar, zwaarder dan het trekken aan een kar vol appels! Maar Dik Trom gaf nooit op! Hij zette zijn voeten stevig in het gras, en trok nog een keer, met alles wat hij in zich had! En toen gebeurde het! PLOPP! Met een zacht zuigend geluid, kwam Bella's ene poot uit de modder! En toen haar andere poot! En nog een! En nog een! Langzaam, heel langzaam, glibberde Bella uit de dikke, bruine modderpoel. Ze schudde met haar hele lichaam, en de modder vloog in het rond! PLENS! Dik moest lachen, want zijn gezicht zat nu onder de modder! Bella stond nu op de stevige grond. Ze keek naar Dik, en loeide dit keer "Moooo!" alsof ze wilde zeggen: "Dank je wel, lieve Dik! Je hebt me gered!" Ze gaf Dik een lik over zijn modderige wang. Dik Trom lachte. "Graag gedaan, Bella!" zei hij. Hij hielp haar het touw afdoen, en waste zijn handen en gezicht in een beekje verderop. Toen Boer Teun later op de dag kwam kijken, zag hij Bella weer vrolijk in de wei grazen. Hij vroeg zich af hoe ze toch uit die diepe modderpoel was gekomen. Maar toen zag hij de sporen van de tak en het touw, en de modderige voetsporen van Dik Trom. "Aha," dacht Boer Teun, "dat kan alleen Dik Trom zijn geweest!" En zo leerde iedereen weer iets nieuws over Dik Trom. Hij was niet alleen een jongen die grappen uithaalde, maar ook een jongen met een groot hart. En als er hulp nodig was, of een dier in nood zat, dan was Dik er altijd om te helpen, met zijn sterke armen en zijn slimme ideeën. Zelfs als dat betekende dat hij tot aan zijn oren onder de modder kwam te zitten! Wat zou Dik Trom de volgende keer bedenken? Zou hij weer iemand helpen, of zou hij toch weer een gekke grap uithalen? Dat gaan we de volgende keer horen! Tot dan!
Sneeuwpret en de Reuze Sneeuwbal
Goedendag, lieve luisteraars! Wat fijn dat jullie er weer zijn voor een nieuw avontuur van onze vriend Dik Trom. De vorige keer vroegen we ons af wat Dik nu weer zou bedenken, hè? Zou hij weer iemand helpen, of zou hij toch weer een gekke grap uithalen? Nou, vandaag gaan we het hebben over een winterse dag, een dag vol sneeuwpret! Het was een van die ochtenden dat alles buiten wit was. De hele nacht had het gesneeuwd, en toen Dik wakker werd, zag hij door zijn raam een dikke, zachte deken van sneeuw over de velden en daken liggen. De bomen hadden witte mutsen op en de zon liet de sneeuw glinsteren als duizend diamantjes. Het was prachtig! Dik sprong uit zijn bed, trok snel zijn warme kleren aan en rende naar beneden. “Papa, mama!” riep hij. “Het heeft gesneeuwd! Mogen we naar buiten?” Zijn ouders, die al aan het ontbijt zaten, lachten om zijn enthousiasme. “Jazeker, Dikke Deugd,” zei zijn vader, “maar eet eerst je boterham op. Daarna mag je de sneeuw gaan ontdekken.” Dik at zo snel als hij kon, hij kon bijna niet wachten! Toen hij eindelijk buiten stond, voelde de koude, frisse lucht heerlijk op zijn wangen. En de sneeuw! Die was perfect om mee te spelen. Eerst maakte Dik een paar sneeuwballen en gooide ze naar een oude boom. Toen kreeg hij een idee. “Ik ga de grootste sneeuwbal maken die dit dorp ooit gezien heeft!” dacht hij. Hij begon met een klein bolletje sneeuw, zo groot als een voetbal. Hij rolde het over de grond, en de sneeuw plakte eraan, waardoor de bal steeds groter werd. Zijn vriendjes, Piet en Kees, kwamen eraan. Ze zagen Dik bezig en riepen: “Dik, wat ben je aan het doen?” “Ik ben een reuze sneeuwbal aan het maken!” antwoordde Dik, terwijl hij duwde en trok. “Willen jullie helpen?” Natuurlijk wilden Piet en Kees helpen! Samen duwden ze de sneeuwbal. Het was zwaar werk, maar Dik was sterk, en met zijn drieën kregen ze de sneeuwbal steeds groter. Eerst was hij zo groot als een pompoen, toen als een skippybal, en al gauw was hij zo groot als een kleine auto! De kinderen van het hele dorp kwamen kijken en moedigden hen aan. “Hup, Dik! Nog een beetje!” De sneeuwbal werd écht reusachtig. Hij was zo groot dat Dik er bijna niet meer overheen kon kijken. Ze hadden hem helemaal tot aan de dorpsweg gerold. Maar toen gebeurde er iets grappigs. De sneeuwbal was zo zwaar geworden dat ze hem niet meer konden stoppen! Hij begon langzaam, heel langzaam te rollen, vanzelf, een klein beetje de helling af richting de bakkerij van meneer Bakker. “Oh nee!” riep Piet. “Hij gaat tegen de bakkerij aanrollen!” Meneer Bakker was net bezig met het uitstallen van zijn verse broodjes en taarten voor het raam. Hij zag de enorme sneeuwbal aankomen en zijn ogen werden groot. “Help! Mijn broodjes!” riep hij. Dik en zijn vriendjes renden achter de sneeuwbal aan, proberend hem te stoppen, maar hij was gewoon te groot en te zwaar. Net toen het leek alsof de reuze sneeuwbal tegen de etalage zou botsen, kreeg Dik een ingeving. Hij zag een paar oude planken naast de weg liggen. “Wacht!” riep Dik. “Ik weet wat we moeten doen!” Met al zijn kracht pakte Dik een van de planken en rende naar de voorkant van de sneeuwbal. Hij duwde de plank onder de sneeuwbal, waardoor de bal een beetje omhoog kwam. De andere kinderen hielpen mee, en samen kregen ze de plank er zo onder dat de sneeuwbal heel langzaam van richting veranderde. In plaats van tegen de bakkerij te botsen, rolde hij nu langs de zijkant, en kwam tot stilstand voor de schuur van de bakker. Pfff! Dat was op het nippertje! Meneer Bakker kwam naar buiten, zijn hart klopte nog in zijn keel. Maar toen hij zag dat alles goed was, begon hij te lachen. “Nou, Dik Trom,” zei hij, “dat was een beste sneeuwbal! En jullie hebben er goed aan gedaan om hem om te leiden!” Hij gaf de kinderen warme chocolademelk en een paar krakelingen. Dik en zijn vriendjes waren moe, maar ook heel trots op hun reuze sneeuwbal. Ze hadden veel pret gehad en een klein avontuur beleefd. Wat een dag! Volgende keer zal Dik Trom weer iets meemaken. Wat zou het zijn? Een verdwaald schaapje, misschien? Je hoort het dan weer in het volgende verhaal van Dik Trom! Tot dan!
Het Verloren Schaapje
Dik Trom en zijn avonturen! Wat een deugniet is het toch, maar wel een hele lieve deugniet, vind je niet? Weet je nog, net toen de grote sneeuwbal de lucht in ging? Nou, die sneeuwpret is nu voorbij. De zon is gaan schijnen en de sneeuw is langzaam gesmolten. Overal waar eerst wit was, zie je nu weer het groene gras tevoorschijn komen. Maar de grond is nog wel een beetje koud en nat. En soms fluistert de wind nog een koud verhaaltje door de bomen. Op zo'n koude, winderige middag, was Dik weer eens buiten. Hij liep langs de rand van een weiland waar de schapen graasden. Zijn handen zaten diep in zijn zakken om ze warm te houden. Hij floot een vrolijk deuntje, want Dik was altijd vrolijk, zelfs als het koud was. Maar toen, plotseling, hoorde hij een heel zacht, verdrietig geluid. 'Mèèèh,' klonk het. En toen nog een keer, een beetje harder, 'Mèèèèèh!' Dik stopte met fluiten en spitste zijn oren. Wat was dat? Het klonk niet als de blije 'mèèh-mèèh' van een schaap dat gewoon gras at. Nee, dit was een 'mèèèh' vol met tranen, een 'mèèèh' dat riep om hulp. Dik keek om zich heen. De grote schapen stonden rustig bij elkaar, hun dikke vachten beschermden hen tegen de wind. Maar er miste iets. Hij telde de schapen. Eén, twee, drie... hé! Er was een schaapje te weinig! 'Oei,' dacht Dik. 'Dat is niet goed. Een lammetje is vast verdwaald!' Zijn hart kromp een beetje in zijn buik. Hij wist hoe naar het was om alleen te zijn. Dik, die altijd in was voor een grap, vergat nu even al zijn streken. Nu moest hij helpen. Hij moest het lammetje vinden! Hij begon te zoeken. Eerst keek hij achter de grote eikenboom. Niets. Toen keek hij onder de heg, waar de takken zo dicht op elkaar stonden dat het net een klein tunneltje leek. Ook daar was geen lammetje te zien. Dik riep zachtjes: 'Lammetje? Ben je daar?' Maar hij hoorde alleen de wind die door de takken suisde. Hij liep verder, steeds dieper het weiland in, langs de slootjes en de struiken. De wind trok aan zijn muts, maar Dik gaf niet op. Hij wist dat mama-schaap vast heel verdrietig zou zijn als haar kindje kwijt was. En zo'n klein lammetje, zo helemaal alleen in de grote wijde wereld! Dat was toch zielig? Toen kwam hij bij een plek waar de grond een beetje drassig was. Grote modderplassen glinsterden in de bleke zon. En daar, een klein beetje verstopt achter een bosje brandnetels, zag Dik iets wits. Het was een plukje wol! En toen hij beter keek, zag hij een klein, bibberend lammetje. Het was helemaal alleen en het had het koud. Zijn vacht was nat van de modder en de wind waaide er dwars doorheen. Het huilde zachtjes: 'Mèèèh, mèèèh, ik ben zo bang!' Dik voelde een steek van medelijden. Hij boog zich voorzichtig naar beneden. 'Hé, kleintje,' zei hij met een zachte stem, 'ben jij je mama kwijt? Wees maar niet bang, Dik Trom is hier! Ik ga je helpen.' Het lammetje keek op met grote, bange ogen. Het schudde een beetje met zijn kopje, alsof het Dik niet helemaal durfde te geloven. Maar Dik had zulke vriendelijke ogen. Hij stak zijn hand uit en aaide zachtjes over de natte, koude vacht. Het lammetje voelde de warmte van Diks hand en begon een beetje te kwijlen van opluchting. 'Kom maar,' zei Dik. Hij tilde het lammetje heel voorzichtig op. Het was zo licht! Het voelde aan als een zachte, warme wolk in zijn armen. Het lammetje drukte zijn kopje tegen Diks borst en stopte met huilen. Het begon zachtjes te snuiven. Dik voelde de kleine neus tegen zijn trui en glimlachte. Wat een lief beestje! Hij draaide zich om en begon terug te lopen naar de andere schapen. Maar waar was mama-schaap nu precies? Dat was nog een puzzel! Dik keek goed om zich heen. Hij zag een groepje schapen bij een hek staan. Zou mama daar zijn? Dik liep sneller. Hij riep: 'Mèèèh! Kom maar, mama!' Nou ja, hij probeerde een beetje als een lammetje te klinken, wat best grappig klonk uit de mond van Dik Trom. De schapen keken op. En toen, uit het groepje, kwam een grote, dikke ooi aangerend. Ze rende niet zomaar, nee, ze rende met een blije 'mèèèèèh' naar Dik toe. Haar ogen zochten en vonden haar kleintje in Diks armen. Wat een blij weerzien! De mama-schaap stootte zachtjes met haar neus tegen het lammetje aan. Het lammetje sprong uit Diks armen en rende meteen naar zijn mama toe. Het begon snel te drinken bij zijn moeder, alsof het dagen niet had gegeten. Mama-schaap likte liefdevol over de vacht van haar kleine. Dik stond erbij en keek ernaar. Hij voelde een warm gevoel in zijn hart, veel warmer dan de modder die nu aan zijn broek hing. Hij had een lammetje gered! Hij had ervoor gezorgd dat een mama-schaap en haar kindje weer samen waren. Dat was veel fijner dan welke grap dan ook! Dik zwaaide naar de schapen en liep vrolijk verder. De wind leek nu minder koud. De zon scheen een beetje feller. Dik wist dat hij niet alleen een sterke jongen was, en een grappenmaker, maar ook een jongen met een groot hart. En dat is misschien wel het allermooiste van Dik Trom, vind je niet? Wat zal Dik Trom nu weer beleven? Zal hij weer een grap uithalen, of zal hij misschien nog iemand helpen? Dat hoor je een volgende keer! Tot dan, lieve kinderen!
Afsluiting
Dank je wel voor het luisteren naar de vrolijke avonturen van Dik Trom. We hopen dat je hebt genoten van zijn grappige streken en lieve vrienden. Sonacasts hoort heel graag wat jij ervan vond! Nu kun jij misschien wel je eigen spannende verhaal verzinnen, of lekker verder dromen. Wie weet beleef je dan wel je eigen, magische avontuur! Tot de volgende keer, lieve luisteraar, en droom zacht!






